Remember to turn down the brightness and mute your phone.

Terug naar het evenement

Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks & Harding

11 Maa.'25
- 20:00

Henry Le Boeufzaal

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847) 
Symfonie nr. 5, op. 107, "Reformation" (1830) 

Pauze  

Gustav Mahler (1860-1911) 
Das Lied von der Erde (1892-1900) 

  1. Das Trinklied vom Jammer der Erde
  2. Der Einsame im Herbst
  3. Von der Jugend
  4. Von der Schönheit
  5. Der Trunkene im Frühling
  6. Der Abschied  

Teksten: fragmenten uit Die chinesische Flöte (Hans Bethge, 1876-1946), gebaseerd op originele gedichten van Li-Tai-Po, Qian Qi, Mong-Kao-Yen en Wang Wei.

Einde van het concert voorzien om 22:05 

Dit concert wordt opgenomen en live uitgezonden door Musiq3. 

Mahler en Mendelssohn – Over lijden en verlossing 

Twee totaal verschillende werelden bewandelden ze, Felix Mendelssohn en Gustav Mahler. En toch is de combinatie van beide componisten lang niet zo gek: elk op hun manier geraakten ze gefascineerd door thema’s als vergankelijkheid, het (on)geluk van het leven, en de dood. In hun muzikale talen die bijna een eeuw uit elkaar liggen, wegen ze muzikale extremen tegen elkaar af, en trachten ze op die manier strijdige wereldbeelden met elkaar te verzoenen. Mendelssohn doet dat op een quasi-religieuze manier, Mahler op een quasi-seculiere. Bovendien verlegden ze elk de grenzen van wat een symfonie kan zijn. In zijn Vijfde Symfonie ‘Reformatie’ verrijkt Mendelssohn zijn muziek met enkele muzikale wenken die het woordeloze werk tot spreken brengen. Met Das Lied von der Erde componeerde Mahler een monument uit de eerste decennia van de twintigste eeuw, en bewees hij de intieme vertelkracht van een liedcyclus compatibel met de expressieve mogelijkheden van een symfonie.  

Als kind van een voorname bankiersfamilie genoot Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847) een brede culturele opvoeding, en al snel bleek hij vooral muzikaal uitzonderlijk begaafd. Als pianist en componist toonde hij zich een wonderkind, maar hij wakkerde zijn talenten ook zelf verder aan door studie van oude meesters: niet alleen onmiddellijke voorgangers als Mozart en Haydn bepaalden zijn muzikale signatuur, ook door barokke componisten als Bach en Händel liet hij zich volop inspireren. Ondanks dat vele studiewerk klinken Mendelssohns symfonieën alsof ze ontsproten zijn uit pure intuïtie. Zijn orkestwerken ademen de warmte uit van de vroege Duitse romantiek, vaak met een uitgesproken schilderachtig kantje. 

Hoewel Mendelssohns Vijfde Symfonie een stuk minder bekend is dan zijn Derde en Vierde Symfonie, bevat precies dit werk enkele van zijn meest vernuftige en kenmerkende muzikale procedés. Tussen 1829 en 1830 componeerde de toen 22-jarige componist een grandioos werk ter ere van het driehonderdste jubileum van de Rijksdag van Augsburg (1530), een mijlpaal in de reformatie waar een (vruchteloze) poging werd gedaan om een dreigende strijd tussen protestanten en katholieken in de kiem te smoren. De thematiek van religieuze twist moet Mendelssohn erg hebben aangetrokken: hoewel hij joods was van geboorte, was hij gedoopt en christelijk (protestants) opgevoed. Zijn vierdelige symfonie waarin episodes van strijd en verzoening elkaar afwisselen, ging uiteindelijk pas in 1832 in première, en werd postuum uitgegeven. Zo kreeg het werk dat in feite Mendelssohns tweede symfonie was, het volgnummer 5 mee.  

Op twee manieren wist de componist de specifieke thematiek muzikaal te vertalen. Ten eerste verwijst Mendelssohn uitvoerig naar het bekende en toen al eeuwenoude Lutheraanse koraal Ein feste Burg ist unser Gott. De idee om een bekende koraalmelodie (en daarmee ook een onrechtstreekse tekstuele boodschap) in instrumentale muziek te verwerken, gaat overigens terug op een barokke traditie van Schütz, Buxtehude en Bach. Ten tweede doorspekt Mendelssohn zijn symfonie met het zogenaamde ‘Dresden Amen’, een stijgende melodische figuur, gekoppeld aan een herkenbaar harmonisch patroon, die hij zachtjes door de hoge strijkers laat spelen. Een halve eeuw later zou Richard Wagner hetzelfde motief uitvoerig gebruiken in zijn laatste muziekdrama Parsifal. Het betroffen hier geen obscure verwijzingen voor de specialist: het toenmalige publiek moet beide wenken onmiddellijk herkend hebben.   

Het openingsdeel begint met een langzaam Andante dat naast flarden van het hoofdthema ook het Dresden Amen opvallend introduceert. Uiteindelijk kondigen trompetten plechtig het eigenlijke hoofdthema aan, dat even later levendig losbarst. Voor een openingsbeweging in een traditionele sonatevorm is het gebruikelijk dat een fors thema en een lieflijker met elkaar in dialoog gaan. In het licht van de specifieke context van het werk krijgt deze dynamiek een haast programmatische invulling, als zou het gaan om de dynamiek tussen lijden en verlossing. Wanneer de muziek dreigt te ontsporen, brengt het Dresden Amen opnieuw rust, als een moment van vrede en stabiliteit temidden een bitsige religieuze strijd. 

De twee middendelen hebben beide de omvang van een korte interlude. Het Allegro vivace is een springerig scherzo in de traditie van Beethoven. Centraal klinkt een onschuldig en landelijk trio dat bruist van plezier en volkse eenvoud. Het compacte derde deel is een lied zonder woorden, waarin een uitgesproken zangerige melodie zich kalm ontplooit. Mendelssohn brengt de instrumentatie terug tot strijkers, fluiten en fagotten. Daarop volgt een duidelijke verwijzing van Ein feste Burg ist unser Gott in de solofluit, die later bijval vindt bij de houtblazersgroep en uiteindelijk de strijkers. De melodie zet een ingenieus slotdeel in gang: binnen de contouren van een structureel strakke sonatevorm weet Mendelssohn de koraalmelodie voortdurend te parafraseren. Eerst klinkt ze in fragmenten, later komt ze steeds duidelijker naar voren naarmate de finale vordert. Ook in dit slotdeel weerklinkt het Dresden Amen als een factor van verzoening. In de triomfantelijke slotpassage valt uiteindelijk geen conflict meer te bespeuren. Meer nog dan in zijn bekendere symfonieën, vindt Mendelssohn in zijn Vijfde Symfonie een unieke balans tussen innovatie en conservatisme, tussen virtuositeit en devotie.  

Het leven van Gustav Mahler (1860-1911) omspant een van de belangrijkste breuklijnen in de muziekgeschiedenis. In het laatnegentiende-eeuwse Oostenrijk groeide hij op met de hoogromantiek van Brahms en Bruckner, en toen hij overleed hadden componisten als Schönberg en Webern al enkele van hun meest verregaande experimenten gecomponeerd. Verbazend is bovendien het feit dat hoewel Mahler (als componist én dirigent) het respect kreeg van elk van deze uiteenlopende componisten, zijn werken amper uitgevoerd werden tot een halve eeuw na zijn dood. Terugblikkend kan enkel worden vastgesteld dat Mahler als geen ander de tijdsgeest aanvoelde en wist uit te drukken: zijn muziek klinkt als een bitterzoet vaarwel aan de romantiek, en kondigt de onzekere wereldorde aan van de vroege twintigste eeuw.  

Mahlers oeuvre valt te begrijpen vanuit cycli. Zijn eerste vier symfonieën beschouwde hij als een soort tetralogie waarin hij zich (vaak met toevoeging van vocale middelen) bezint over de plaats van de mens in het universum. Mahlers Vijfde tot Achtste Symfonie vertegenwoordigen zijn middenperiode, waarin hij een ironischer toon aanslaat en zich bedient van een complexere muzikale taal. Zijn drie laatste werken, waaronder Das Lied von der Erde, vormen niet zozeer een cyclus, maar zijn thematisch wel gelijkaardig. Wat opvalt in de latere werken van de componist, is de afwezigheid van glorieuze coda’s aan het einde van de werken; nochtans lange tijd een standaardingrediënt van de symfonie. Ook in Das Lied von der Erde uit 1911 laat Mahler de muziek volledig uitdoven. Bovendien vormen de langzame slotbewegingen het zwaartepunt van de werken. Het is alsof Mahlers persoonlijke worsteling met afscheid (niet toevallig de titel van het slotdeel van Das Lied) in hevigheid toeneemt naar het einde van zijn leven toe.  

Alle werken van Mahler hebben een sterke persoonlijke inslag, maar Mahler noemde Das Lied von der Erde zelf zijn meest autobiografische werk. Na drie zware tegenslagen (die hij eerder al muzikaal had verwerkt in zijn Zesde Symfonie) trok de componist zich op doktersvoorschrift voor een tijd terug in zijn villa in Maiernigg. Net zoals bij het componeren van zijn Kindertotenlieder, na het overlijden van zijn eigen dochter, zocht Mahler troost in de poëzie. De tekst van Das Lied puurde hij uit De Chinese Fluit, een collectie van 83 gedichten die de Duitse dichter Hans Betghe in de vroege twintigste eeuw had vertaald vanuit eeuwenoude Chinese originelen van onder meer Li-Tai-Po, Tchang-Tsi en Mong-Kao-Jen. De gedichten zijn doordrongen van de gedachte van vergankelijkheid. Voor Mahler was de dood altijd aanwezig geweest in zijn leven, wat zijn obsessie verklaart met de idee van verval, en de dynamiek tussen leven en dood. Uit briefwisseling blijkt dat de componist aanvankelijk de titel Das Lied vom Jammer der Erde voor ogen had. Uiteindelijk trok Mahler het onderwerp, en daarmee ook de titel, breder open, en liet hij naast existentiële smart ook levensvreugde toe. Voor Mahler zijn beide extremen immers twee kanten van dezelfde medaille. Precies daarom speelt hij in zijn muziek ook een spel van absolute extremen. Hoewel Das Lied von der Erde een aantal typische kenmerken vertoont van een symfonie, weigerde de componist zijn nieuwe werk als zijn Negende Symfonie te beschouwen (of te betitelen), vanuit een bijgeloof verbonden aan het feit dat geen enkele grote symfonicus na Beethoven meer dan negen symfonieën had geschreven.  

In Das Lied toont Mahler zich niet enkel een briljant orkestrator, maar legt hij bovendien ook een verfijnd gevoel voor muzikale dramaturgie aan de dag. Uit de lijvige dichtbundel De Chinese Fluit selecteerde de componist zeven gedichten die weliswaar extremen vertegenwoordigen, maar als geheel een eenheid vormen. Overkoepelend verhaalt Das Lied von der Erde over de schoonheid van de natuur, en de futiele rol die de sterfelijke mens speelt op de eeuwige aarde. Net als in zijn Zevende Symfonie bouwt Mahler het werk op vanuit concentrische cirkels. In de buitendelen van de zesdelige structuur wordt de mens voorgesteld als een vergankelijk wezen, terwijl de natuur elke lente opnieuw opleeft. Het tweede en het vijfde deel zijn met elkaar verbonden, precies omdat ze inhoudelijk diametraal tegenover elkaar staan: een melancholisch herfstlied vindt tegenwicht in een kleurrijk lentelied. In de twee middendelen mijmert Mahler over de schoonheid van een verloren jeugd. In het hart van het werk keert zo de idyllische en (bewust) haast naïeve toon door die Mahler ook in eerdere symfonieën had aangeslaan wanneer jeugd en kindertijd worden bezongen. Ze staan in sterk contrast met de maturiteit van de omringende delen.  

In het briesende openingslied Das Trinklied vom Jammer der Erde is een dronkaard aan het woord, die met een cynisch zelfvertrouwen reflecteert op de wereld die rondom hem lijkt te verzinken in verval. Zijn boodschap lijkt komisch (“Ein voller Becher Weins zur rechten Zeit ist mehr wert als die Reiche dieser Erde”) maar eindigt vooral bitter (“Das Firmament blaut ewig, und die Erde wird lange feststeh’n auf den alten Füssen. Du aber, Mensch, wie lange lebst denn du?”). Waar in het openingslied nog sprake is van een soort spreidstand tussen een ietwat naïeve tekst en wijzere muziek, ligt in Der Einsame im Herbst de orkestratie volledig in lijn met de tekst. De bezongen herfstkleuren weerklinken in droefgeestige houtblazersmelodieën, en de strijkersgroep begeleidt met een zacht golvende beweging die als een koude wind over het tafereel lijkt te waaien. 

De drie daaropvolgende delen zijn korter en lichter van toon. Von der Jugend is het scherzo van het werk, en vertelt van een idyllische picknick die in het water van de vijver gespiegeld wordt. In Von der Schönheit stelt Mahler opnieuw twee extremen tegenover elkaar. Een scene waarin jonge meisjes bloemen plukken in het bos wordt nogal bruusk verstoord door voorbijrijdende jongemannen te paard. Hun komst wordt aangekondigd door militaristische motieven in het koper, waarop het tempo plots de hoogte in gaat en rust omslaat in olijke chaos. Der Trunkene im Frühling, opnieuw een drinklied, herneemt de joviale toon van openingsdeel. Aangestookt door de frase ‘Wenn nur ein Traum das Leben ist, warum denn Müh’ und Plag’?” meandert Mahler van de ene emotie naar de andere, en van het ene tempo naar het andere, en wisselt hij sentimentele frasen in de strijkers af met kolderieke begeleidingsfiguurtjes in het hout.  

Het monumentale slotlied Der Abschied is langer dan alle andere delen samen, en vormt zowel inhoudelijk als muzikaal het zwaartepunt van het werk. Kenners zijn het eens dat Mahler hier het toppunt van zijn kunnen bereikt, minstens qua orkestratie. Solo’s van houtblazers (met de weemoedige hobo in een glansrol) vormen complexe muzikale karakters die worden begeleid door de meest prachtige timbres. Indrukwekkende orkestrale effecten doen meer dan eens denken aan het onheilspellend luiden van een gong. Zowel muzikaal als tekstueel beklemtoont Mahler hier een laatste maal het melancholische dualisme dat hij in het openingsdeel introduceerde: “Still ist mein Herz und harret seiner Stunde. Die liebe Erde allüberal blüht auf im Lenz und grünt aufs neu. Ewig.” Na die woorden sterven de instrumenten een voor een weg, tot enkel stilte overblijft. 

Arne Herman 

Gustav Mahler (1860-1911), Das Lied von der Erde (1892-1900) 

  1. Das Trinklied vom Jammer der Erde  

Schon winkt der Wein im gold’nen Pokale, 
Doch trinkt noch nicht, 
Erst sing’ ich euch ein Lied! 
Das Lied vom Kummer 
Soll auflachend in die Seele euch klingen. 
Wenn der Kummer naht, 
Liegen wüst die Gärten der Seele, 
Welkt hin und stirbt die Freude, der Gesang. 
Dunkel ist das Leben, ist der Tod.  

Herr dieses Hauses! 
Dein Keller birgt die Fülle des goldenen Weins! 
Hier, diese Laute nenn’ ich mein! 
Die Laute schlagen und die Gläser leeren, 
Das sind die Dinge, die zusammenpassen. 
Ein voller Becher Weins zur rechten Zeit 
Ist mehr wert, als alle Reiche dieser Erde! 
Dunkel ist das Leben, ist der Tod!  

Das Firmament blaut ewig, und die Erde 
Wird lange fest steh’n und aufblüh’n im Lenz. 
Du aber, Mensch, wie lang lebst denn du? 
Nicht hundert Jahre darfst du dich ergötzen 
An all dem morschen Tande dieser Erde!  

Seht dort hinab! Im Mondschein auf den Gräbern 
Hockt eine wild-gespenstische Gestalt – 
Ein Aff’ ist’s! Hört ihr, wie sein Heulen 
Hinausgellt in den süßen Duft des Lebens!  

Jetzt nehmt den Wein! Jetzt ist es Zeit, Genossen! 
Leert eure gold’nen Becher zu Grund! 
Dunkel ist das Leben, ist der Tod!  

  1. Drinklied op het aardse tranendal 

Reeds wenkt de wijn in gouden bokalen 
Doch drink nog niet! 
Eerst zing ik u een lied! 
Dat lied vol kommer 
Zal hard gelach in de zielen doen klinken 
Als de kommer kwelt 
Slaan ze kaal, de tuinen der zielen 
Verwelkt en sterft de vreugde , het gezang 
Donker is het leven, is de dood  

Heer des huizes 
Je kelder bergt een weelde aan goudgele wijn 
Hier, deze citer is voor mij 
De snaren raken en de glazen legen 
Dat zijn de dingen die goed samen passen 
Een volle beker wijn, zo op z’n tijd 
Is meer waard, dan alle rijkdom hier op aarde! 
Donker is het leven, is de dood  

Het hemelblauw blijft eeuwig en de aarde 
Zo staat vast - groeit en bloeit in mei 
Jij echter, mens, hoe lang leef jij? 
Geen honderd jaren mag je je vermaken 
Met mies en mors gebeuzel hier op aarde  

Kijk, daar omlaag! In maanlicht op de graven 
Hurkt een verwilderd stakkerig figuur 
Een aap is ‘t! Hoor je zijn gejammer 
Als wanklank in de zoete roes des levens? 

Nu, neem de wijn, nu is het, tijdgenoten! 
Leeg jullie gouden bekers maar gauw 
Donker is het leven, is de dood  

  1. Der Einsame im Herbst  

Herbstnebel wallen bläulich überm See; 
Vom Reif bezogen stehen alle Gräser; 
Man meint, ein Künstler habe Staub vom Jade 
Über die feinen Blüten ausgestreut.  

Der süße Duft der Blumen ist verflogen; 
Ein kalter Wind beugt ihre Stengel nieder. 
Bald werden die verwelkten, gold’nen Blätter 
Der Lotosblüten auf dem Wasser zieh’n. 
Mein Herz ist müde. Meine kleine Lampe 
Erlosch mit Knistern, 
es gemahnt mich an den Schlaf. 
Ich komm’ zu dir, traute Ruhestätte! 
Ja, gib mir Ruh, ich hab’ Erquickung not!  

Ich weine viel in meinen Einsamkeiten. 
Der Herbst in meinem Herzen währt zu lange. 
Sonne der Liebe, willst du nie mehr scheinen, 
Um meine bittern Tränen mild aufzutrocknen?  

  1. Eenzame in de herfst 

Herftsnevels golven blauwig op het meer 
Met rijp beslagen staan nu in alle velden 
Hier heeft een kunstenaar het stof van jade 
Over de fijne bloesem uitgestrooid  

De zoete geur van bloemen is vervlogen 
Een koude wind laat alle stengels buigen 
Dra trekken die verwelkte, gulden bladen 
De lotusbloemen op het water neer  

Mijn hart is moe. Mijn kleine lamp 
Is net uitgeflakkerd 
en dat maant me tot de slaap 
Ik kom bij jou, trouwe legerstede 
Ja bied me rust, biedt me verkwikking nu  

Ik huil te veel in mijn vereenzaamd leven 
De herfst hier in mijn hart duurt te lang al 
Zon van de liefde, zal je nooit meer schijnen, 
Om al die bittere tranen mild op te drogen?  

  1. Von der Jugend  

Mitten in dem kleinen Teiche 
Steht ein Pavillon aus grünem 
Und aus weißem Porzellan. 
Wie der Rücken eines Tigers 
Wölbt die Brücke sich aus Jade 
Zu dem Pavillon hinüber. 
In dem Häuschen sitzen Freunde, 
Schön gekleidet, trinken, plaudern, 
Manche schreiben Verse nieder. 
Ihre seidnen Ärmel gleiten 
Rückwärts, ihre seidnen Mützen 
Hocken lustig tief im Nacken. 

Auf des kleinen Teiches stiller 
Wasserfläche zeigt sich alles 
Wunderlich im Spiegelbilde. 
Alles auf dem Kopfe stehend 
In dem Pavillon aus grünem 
Und aus weißem Porzellan; 
Wie ein Halbmond steht die Brücke, 
Umgekehrt der Bogen. Freunde, 
Schön gekleidet, trinken, plaudern.  

  1. Van de jeugd 

Midden in de kleine vijver 
Staat een paviljoen van groen 
En glanzend roomwit porcelein 
Als de rug van koning tijger 
Welft de brug van zuiver jade 
Tussen paviljoen en tuinpad 
In het huisje zitten vrienden, 
Goed gekleed te drinken, kouten 
Eentje schrijft er zijn gedichten 
Kijk, hun zijden mouwen glijden af 
En ook hun zijden mutsen 
Zakken grappig achterover  

In de kleine, kleine vijvers stille, 
stille waterspiegel, toont zich alles 
Wonderlijk in spiegelbeelden 
Alles op de kop gezeten 
In het paviljoen van groen 
En glanzend roomwit porcelein 
Als een halfmaan staat het brugje, 
Bogen in de hoogte. Vrienden, 
Fijn gekleed, drinken, kouten  

  1. Von der Schönheit  

Junge Mädchen pflücken Blumen, 
Pflücken Lotosblumen an dem Uferrande. 
Zwischen Büschen und Blättern sitzen sie, 
Sammeln Blüten in den Schoß und rufen 
Sich einander Neckereien zu.  

Gold’ne Sonne webt um die Gestalten, 
Spiegelt sie im blanken Wasser wider. 
Sonne spiegelt ihre schlanken Glieder, 
Ihre süßen Augen wider, 
Und der Zephir hebt mit Schmeichelkosen 
Das Gewebe ihrer Ärmel auf, 
Führt den Zauber 
Ihrer Wohlgerüche durch die Luft. 

O sieh, was tummeln sich für schöne Knaben 
Dort an dem Uferrand auf mut’gen Rossen, 
Weithin glänzend wie die Sonnenstrahlen; 
Schon zwischen dem Geäst der grünen Weiden 
Trabt das jungfrische Volk einher!  

Das Roß des einen wiehert fröhlich auf 
Und scheut und saust dahin, 
Über Blumen, Gräser wanken hin die Hufe, 
Sie zerstampfen jäh im Sturm 
die hingesunk’nen Blüten, 
Hei! Wie flattern im Taumel seine Mähnen, 
Dampfen heiß die Nüstern!  

Gold’ne Sonne webt um die Gestalten, 
Spiegelt sie im blanken Wasser wider. 
Und die schönste von den Jungfrau’n sendet 
Lange Blicke ihm der Sehnsucht nach. 
Ihre stolze Haltung ist nur Verstellung. 
In dem Funkeln ihrer großen Augen, 
In dem Dunkel ihres heißen Blicks 
Schwingt klagend noch die Erregung 
Ihres Herzens nach.  

  1. Van de Schoonheid 

Jonge meisjes plukken bloemen, 
Plukken lotusbloemen aan de oeverranden 
Tussen bosjes en blaadjes zitten ze 
Doen de bloemen in hun schoot 
En roepen blij elkander gekkigheidjes toe  

Gouden zonlicht weeft om de gestaltes 
Kijk ’s, hoe dat blinkend water spiegelt 
Zonlicht spiegelt al die slanke lijfjes 
Al die zoete oogjes, handjes 
En een briesje heft met zijden zuchtjes 
Hun geweven zijden mouwtjes op 
Voert de tover 
Van exquise geurtjes door de lucht 

Maar wacht, wat stormen daar voor mooie jongens 
Daar aan de waterkant op stoere paarden? 
Feller glanzend dan de zonnestralen 
Recht uit het struikgewas naar groene weiden 
Draaft het jongfrisse volk voorbij  

Het paard van eentje hinnikt hard en hoog 
En stuift en suist voorbij 
Over al dat groene roffelen de hoeven 
En verpletteren in draf de afgevallen bloemen 
Hei! 
Met weelderig wapperende manen 
Dampend, snuivend, briesend  

Gouden zonlicht weeft om de gestalten 
Kijk ’s hoe dat blinkend water spiegelt 
Een van de mooiste meisjes zendt hem 
Lange blikken vol van meemoed na 
Maar haar trotse houding is vrij schijnheilig 
In de flonker van haar grote ogen 
In het donker van haar hete blik 
Trilt klagend nog het gebeuren 
In haar hartje na  

  1. Der Trunkene im Frühling  

Wenn nur ein Traum das Leben ist, 
Warum denn Müh’ und Plag’!? 
Ich trinke, bis ich nicht mehr kann, 
Den ganzen, lieben Tag!  

Und wenn ich nicht mehr trinken kann, 
Weil Kehl’ und Seele voll, 
So tauml’ ich bis zu meiner Tür 
Und schlafe wundervoll! 

Was hör ich beim Erwachen? Horch! 
Ein Vogel singt im Baum. 
Ich frag’ ihn, ob schon Frühling sei, 
Mir ist als wie im Traum.  

Der Vogel zwitschert: Ja! Der Lenz 
Ist da, sei kommen über Nacht! 
Aus tiefstem Schauen lauscht’ ich auf, 
Der Vogel singt und lacht!  

Ich fülle mir den Becher neu 
Und leer’ ihn bis zum Grund 
Und singe, bis der Mond erglänzt 
Am schwarzen Firmament!  

Und wenn ich nicht mehr singen kann, 
So schlaf’ ich wieder ein. 
Was geht mich denn der Frühling an!? 
Laßt mich betrunken sein!  

  1. Dronkeman in de lente 

Als maar een droom het leven is 
Waarom dan moeilijk doen? 
Ik drink dus tot ik niet meer kan 
De ganse lieve dag  

En als ik niet meer drinken kan 
Zijn heug en meug te vol 
Dan tol ik door tot aan mijn deur 
En slaap genadevol  

Wat hoor ik bij ‘t ontwaken? 
Hoor! Een vogel in de boom 
Ik vraag hem of het lente is 
Mij is ‘t... mij is ‘t alsof ik droom  

De vogel twittert: Ja! Ja! ‘t Is mei! 
‘t Is lente sinds vannacht! 
Ten diepste glazig kijk ik op 
De vogel zingt en lacht, en lacht  

Ik gooi opnieuw de beker vol 
En leeg hem weer terstond 
Al zingend tot de maan verschijnt 
Aan ‘t zwarte firmament  

En als ik niet meer zingen kan 
Dan slaap ik wel weer in! 
Wat gaat mij nou de lente aan? 
Laat mij maar dronken zijn!  

  1. Der Abschied 

Die Sonne scheidet hinter dem Gebirge. 
In alle Täler steigt der Abend nieder 
Mit seinen Schatten, die voll Kühlung sind. 
O sieh! Wie eine Silberbarke schwebt 
Der Mond am blauen Himmelssee herauf. 
Ich spüre eines feinen Windes Weh’n 
Hinter den dunklen Fichten!  

Der Bach singt voller Wohllaut durch das Dunkel. 
Die Blumen blassen im Dämmerschein. 
Die Erde atmet voll von Ruh’ und Schlaf, 
Alle Sehnsucht will nun träumen, 
Die müden Menschen geh’n heimwärts, 
Um im Schlaf vergess’nes Glück 
Und Jugend neu zu lernen! 
Die Vögel hocken still in ihren Zweigen. 
Die Welt schläft ein!  

Es wehet kühl im Schatten meiner Fichten. 
Ich stehe hier und harre meines Freundes; 
Ich harre sein zum letzten Lebewohl.  

Ich sehne mich, o Freund, an deiner Seite 
Die Schönheit dieses Abends zu genießen. 
Wo bleibst du? Du läßt mich lang allein! 
Ich wandle auf und nieder mit meiner Laute 
Auf Wegen, die von weichem Grase schwellen. 
O Schönheit! O ewigen Liebens – Lebens trunk’ne 
Welt!  

Er stieg vom Pferd und reichte ihm den Trunk 
Des Abschieds dar. Er fragte ihn, wohin 
Er führe und auch warum es müßte sein. 
Er sprach, seine Stimme war umflort: 
Du, mein Freund, 
Mir war auf dieser Welt das Glück nicht hold! 
Wohin ich geh’? Ich geh’, ich wand’re in die Berge. 
Ich suche Ruhe für mein einsam Herz!  
Ich wandle nach der Heimat! Meiner Stätte! 
Ich werde niemals in die Ferne schweifen. 
Still ist mein Herz und harret seiner Stunde!  

Die liebe Erde allüberall 
Blüht auf im Lenz und grünt aufs neu! 
Allüberall und ewig 
Blauen licht die Fernen! 
Ewig… ewig…  
 

  1. Afscheid 

De zon verdwijnt nu achter het gebergte 
In alle dalen valt de avondschemer 
Met lange schaduw die verkoeling biedt 
O Zie! Zie, als een zilvergondel 
Zweeft de maan de blauwe hemelzee voorbij 
Ik word gewaar hoe zoet een windje waait 
Achter de donkere dennen 
De beek zingt zeer welluidend in het donker 
De bloemen bleken in de schemerschijn 
De aarde ademt vol van rust en slaap 
Alle hartstocht mag nu dromen 
Vermoeide mensen gaan huiswaarts 
Om in slaap voorbij geluk 
En jeugd weer te beleven 
De vogels zitten stil op tak en twijgen 
Wat leeft slaapt in  

Het voelt nog koel, de schaduw van de dennen 
Ik sta maar hier te wachten tot mijn vriend komt 
Ik wacht op hem als laatste afscheidsgroet  

Ik verlang, o vriend, om aan jouw zijde 
De schoonheid van de avond te genieten 
Waar blijf je? Je laat me lang alleen! 
Ik wandel heen en weer, bespeel de citer 
Terwijl het vocht het zachte gras doet zwellen 
O schoonheid, o eeuwige liefdes- levensdronken nacht! 
Hij steeg van ‘t paard en reikte hem de dronk 
Ter afscheid aan. Toen vroeg hij hem waarheen 
Hij reisde en ook waarom, waarom toch dit moest zijn 
Hij sprak, en zijn stem was wat omfloerst: 
Jij, mijn vriend 
Mij was dit aards bestaan geluk ontzegd! 
Waarheen ik ga? Ik ga uit zwerven in de bergen 
Ik zoek de luwte, luwte voor mijn eenzaam hart  

Ik wandel naar de hemel hier op aarde 
Je ziet me nooit meer in de wijde wereld 
Stil zit mijn hart te wachten tot het tijd is  

Die lieve aarde, al, overal 
Bloeit op elk jaar en bloeit als nieuw 
Al, overal en eeuwig 
Blauwig licht de verte 
Eeuwig, eeuwig, eeuwig

Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks

Het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks werd kort na zijn oprichting in 1949 een wereldwijd gerenommeerd orkest. Het staat bekend om zijn uitvoeringen van hedendaagse muziek, vooral binnen de musica viva-reeks, opgericht door Karl Amadeus Hartmann in 1945. Het orkest heeft zijn uitstekende status ontwikkeld onder chef-dirigenten als Eugen Jochum, Rafael Kubelík, Sir Colin Davis, Lorin Maazel en Mariss Jansons. Sir Simon Rattle is sinds 2023 chef-dirigent van het orkest. In hetzelfde jaar werd het BRSO uitgeroepen tot derde in een ranglijst van 's werelds tien beste orkesten, gepubliceerd in het online magazine Backtrack en samengesteld door vooraanstaande muziekjournalisten. Eerdere hoogtepunten zijn een Grammy (2006), een ECHO Klassik Award (2010) en lof voor de uitvoeringen van Beethovens symfonieën in Japan (2012). 

Daniel Harding

Dirigent

 In 1994 maakte Daniel Harding zijn professionele debuut bij het City of Birmingham Symphony Orchestra als assistent van Simon Rattle. Het seizoen daarop assisteerde hij Claudio Abbado bij de Berliner Philharmoniker. Tegenwoordig is hij artistiek leider van het Swedish Radio Symphony Orchestra (sinds 2007), eredirigent van het Mahler Chamber Orchestra, artistiek leider van het Anima Mundi Festival in Pisa (sinds 2018) en dirigieert hij gerenommeerde orkesten als de Wiener en Berliner Philharmoniker.  In oktober 2024 werd hij de nieuwe chef-dirigent van het orkest en koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome. Naast zijn bloeiende dirigeerloopbaan, is hij ook piloot. 

Fleur Barron

Mezzosopraan

De Singaporees-Britse mezzo Fleur Barron wordt door The Times “a knockout performer” genoemd en won in 2025 een GRAMMY Award voor haar vertolking van de titelrol in Kaija Saariaho's opera Adriana Mater met de San Francisco Symphony Symphony en Esa-Pekka Salonen op het Deutsche Grammophon label. Fleur is een gepassioneerd vertolkster van opera, kamermuziek en concertwerken variërend van barok tot hedendaags. Fleur wordt begeleid door Barbara Hannigan. Barron behaalde een bachelor in vergelijkende literatuur met onderscheiding aan de Columbia University en een master in vocale interpretatie aan de Manhattan School of Music.

Andrew Staples

Tenor

Andrew Staples combineert een drukke agenda als opera- en concertzanger met een carrière als film- en toneelregisseur en fotograaf. Als vooraanstaand tenor heeft hij samengewerkt met dirigenten als Sir Simon Rattle, Daniel Harding en Gustavo Dudamel, met gerenommeerde orkesten als Swedish Radio Symphony Orchestra, Bavarian Radio Symphony Orchestra en Orchestre de Paris. Andrew's werk als film- en toneelregisseur en fotograaf combineert een passie voor het verweven van kunst, muziek en digitale sferen, met als doel de schoonheid van klassieke muziek en de bredere kunsten in beeld te brengen. Hij werkt ook samen met Daniel Harding aan een documentaireserie in Guangzhou, China.

Mahler Cyclus
Geniet dit seizoen van het tweede deel van de Brusselse Mahlercyclus, die gezamenlijk wordt gepresenteerd door de Munt, Bozar en het Belgian National Orchestra.

Zon 4 Mei'25 - 17:00 
MAHLER 3 
La Monnaie Symphony Orchestra, women chorus, Chorus Academy and youth choir & Alain Altinoglu

Don 20 Mei'25 - 20:00
MAHLER 9
Berliner Philharmoniker & Kirill Petrenko

Bozar Maecenas 

Monsieur et Madame Bertrand Ferrier • Barones Michèle Galle-Sioen • Monsieur et Madame Laurent Legein • Madame Heike Müller • Monsieur et Madame Dominique Peninon • Monsieur et Madame Antoine Winckler • Chevalier Godefroid de Wouters d'Oplinter • Bozar Honorary Patrons • Comte Etienne Davignon • Madame Léo Goldschmidt  

Bozar Patrons 

Monsieur et Madame Charles Adriaenssen • Madame Marie-Louise Angenent • Comtesse Laurence d'Aramon • Monsieur Jean-François Bellis • Baron et Baronne Berghmans • De heer Stefaan Bettens • Monsieur Philippe Bioul • Mevrouw Roger Blanpain-Bruggeman • Madame Laurette Blondeel • Comte et Comtesse Boël • Monsieur et Madame Thierry Bouckaert • Monsieur Thierry Boutemy • Madame Anny Cailloux • Madame Valérie Cardon de Lichtbuer • Madame Catherine Carniaux • Madame Paloma Castro Martinez de Tejada • Prince et Princesse de Chimay • Monsieur Jim Cloos et Madame Véronique Arnault • Mevrouw Chris Cooleman • Monsieur et Madame Jean Courtin • Monsieur et Madame Denis Dalibot • Madame Bernard Darty • Monsieur Jimmy Davignon • De heer en mevrouw Philippe De Baere • Monsieur Nicolas De Coster et Madame Stéphanie Donnez • De heer Frederic Depoortere en mevrouw Ingrid Rossi • Monsieur Edouard Derom • Monsieur Patrick Derom • Madame Louise Descamps • Monsieur Amand-Benoit D'Hondt • De heer Bernard Dubois • Mevrouw Sylvie Dubois • Madame Claudine Duvivier • Madame Dominique Eickhoff • Baron et Baronne William Frère • De heer Frederick Gordts • Baron et Baronne Pierre Gurdjian • De heer en mevrouw Philippe en Martine Haspeslagh - Van den Poel • Madame Susanne Hinrichs et Monsieur Peter Klein • Monsieur Jean-Pierre Hoa • De heer Xavier Hufkens • Madame Bonno H. Hylkema • Madame Fernand Jacquet • Baron Edouard Janssen • Madame Elisabeth Jongen • Monsieur et Madame Jean-Louis Joris • Monsieur et Madame Adnan Kandyoti • Monsieur Sander Kashiva • Monsieur Sam Kestens • Monsieur et Madame Klaus Körner • Madame Marleen Lammerant • Monsieur Pierre Lebeau • Monsieur et Madame François Legein • Monsieur et Madame Charles-Henri Lehideux • Madame Gérald Leprince Jungbluth • Monsieur Xavier Letizia • Monsieur Bruno van Lierde • Monsieur et Madame Clive Llewellyn • Monsieur et Madame Thierry Lorang • Madame Olga Machiels-Osterrieth • De heer Peter Maenhout • De heer en mevrouw Jean-Pierre en Ine Mariën • De heer en mevrouw Frederic Martens • Monsieur Yves-Loïc Martin • Monsieur et Madame Dominique Mathieu-Defforey • De heer en mevrouw Frank Monstrey (urbion) • Madame Philippine de Montalembert • Madame Nelson • Monsieur Laurent Pampfer • Famille Philippson • Monsieur Gérard Philippson • Madame Lucia Recalde Langarica • Monsieur Bernard Respaut • De heer en mevrouw Guy en Martine Reyniers • Madame Fabienne Richard • Madame Elisabetta Righini et Monsieur Craig Finch • Monsieur et Madame Frédéric Samama • Monsieur Grégoire Schöller • Monsieur et Madame Philippe Schöller • Monsieur et Madame Hans C. Schwab • Monsieur et Madame Tommaso Setari • Monsieur et Madame Olivier Solanet • Monsieur Eric Speeckaert • Monsieur Jean-Charles Speeckaert • Vicomte Philippe de Spoelberch et Madame Daphné Lippitt • Madame Anne-Véronique Stainier • Monsieur Didier Staquet et Madame Lidia Zabinski • De heer Karl Stas • Monsieur et Madame Philippe Stoclet • Monsieur Nikolaus Tacke et Madame Astrid Cuylits • De heer en mevrouw Coen Teulings • Monsieur et Madame Philippe Tournay • Monsieur Jean-Christophe Troussel • Dr. Philippe Uytterhaegen • Monsieur et Madame Xavier Van Campenhout • De heer Marc Vandecandelaere • De heer Alexander Vandenbergen •Mevrouw Barbara Van Der Wee en de heer Paul Lievevrouw • De heer Koen Van Loo • De heer en mevrouw Anton Van Rossum • De heer Johan Van Wassenhove • Monsieur et Madame Michel Wajs-Golschmidt • Monsieur et Madame Albert Wastiaux • Monsieur Luc Willame • Monsieur et Madame Bernard Woronoff • Madame Danuta Zedzian • Monsieur et Madame Jacques Zucker  

Bozar Circle 

Monsieur et Madame Paul De Groote • Mevrouw Greet Puttaert • De heer Stefaan Sonck Thiebaut • Madame France Soubeyran • De heer en mevrouw Remi en Evelyne Van Den Broeck 

Bozar Young Circle 

Monsieur Axel Böhlke et Madame Clara Huizink • Monsieur Matteo Cervi • Monsieur Laurent Coulie et Madame Cory Zhang • Monsieur Rodolphe Dulait • Madame Ana Fota • Monsieur et Madame Melhan-Gam • De heer Koen Muylle • De heer Sander Muylle • Madame Audrey Noble • Madame Valéria Onofrj • Dr. Bram Peeters • Monsieur Guillaume van Doorslaer et Madame Emily Defreyne 

En onze Leden die anoniem wensen te blijven